Historie

Ruim 170 jaar hart voor Amsterdammers

“Het gaat dus om mensen als jij”

 

Achteraf bezien stond de oprichting in 1848 van de Vincentiusvereniging in Amsterdam (VVA) door Anton Hafkenscheid, ruim 170 jaar geleden niet op zichzelf. In heel Europa was in de eerste helft van de 19e eeuw sprake van een heropleving van het Vincentiaanse gedachtengoed uit het begin van de 17e eeuw. Na de Franse Revolutie ontstond een nostalgisch verlangen naar sociale waarden van voor de revolutie om het verval door alle oorlogen te boven te komen. In Nederland kreeg dit onder meer gestalte in het protestantse Réveil, godsdienstig conservatief, maar maatschappelijk vooruitstrevend. De persoonlijke, godsdienstige beleving, verwant aan de Romantiek stond voorop in reactie op en zich afzettend tegen de rationaliteit van de Verlichting en de daaropvolgende revoluties. Later werd het Réveil verbreed naar maatschappelijke bewogenheid.

 

In vrijwel heel Europa was sinds het eind van de 18e eeuw het filantropische stelsel uit de 17e eeuw in verval geraakt. Dat voerde in 1833 in Frankrijk tot het initiatief onder leiding van de Franse student Frederic Ozanam om mensen in hun ellendige omstandigheden op te zoeken en te vragen wat ze nodig hebben. Een "er op af” avant la lettre. Ze waren boos op kerk en staat. Er werd over armoede en narigheid gesproken, maar meer ook niet. De studenten kozen de fransman Vincentius van Paolo als boegbeeld vanwege diens activistische benadering van armoede, ziekte en ellende twee eeuwen eerder. Het initiatief van Ozanamwerd internationaal een hype. In meer dan 140 landen werden onafhankelijke Vincentius verenigingen in het leven geroepen. In Nederland startte de vereniging in 1846 in Den Haag, twee jaar later in Amsterdam. Er zijn nu nog ruim 50 Vincentiusverenigingen, die landelijk uitwisselen in de Vincentiusvereniging Nederland (VVN). In het DNA van de verenigingen zit eigenzinnigheid, een zekere anarchie, noem het dwarsheid tegenover autoriteiten vanuit het adagium: “Zoek de mensen op, het gaat om mensen zoals jij.”

 

In Amsterdam was rond 1820 het aantal inwoners gedaald tot 180 duizend. Veel vermogenden hadden de stad verlaten en veel gewone Amsterdammers verpauperden in een stad die verkrotte. Ze moesten overleven in een stagnerende maatschappij. Bijna 40% van de Amsterdammers moest worden bedeeld. Nog eens 20%, meest kleine neringdoenden en zelfstandige ambachtslieden moesten regelmatig discreet ondersteund worden om niet in de armenstand te vervallen. In het eerste kwart van de 19e eeuw waren ruim 106 duizend mensen afhankelijk van liefdadigheid en dus van welwillendheid en toeval. Het ergste moest toen nog komen. Opeenvolgende besmettelijke ziekten, vooral cholera met meer dan 20 duizend doden in Nederland op een bevolking van nauwelijks 3 miljoen mensen en (aardappel) misoogsten in de jaren dertig en veertig van die eeuw eisten hun tol.

 

Zowel protestanten als katholieken waren mordicus tegen een primaire rol voor de overheid bij het bestrijden van armoede. De overheid mocht hooguit aanvullen. Pas met de Algemene Bijstandswet van 1963 kwam de eerste verantwoordelijkheid bij de overheid te liggen, ook al was rond 1850 al duidelijk dat de kerken niet in staat waren mensen een minimaal bestaan te garanderen. Met de toename van armoede in de 19e eeuw keerde het opinieklimaat zich ook tegen mensen in armoede.  Armoede was, behalve een gevolg van het vanzelfsprekend geachte bestaan van standen volgens velen ook een gevolg van een verkwistende, immorele levenshouding. Consumeren stond gelijk aan verkwisten. Voor katholieken in Nederland (40% van de bevolking) was de situatie na 250 jaar uitsluiting zeer nijpend. Ze waren al die tijd buitengesloten van publieke functies van bestuurder tot lantaarnopsteker en van mogelijkheden om onderwijs te volgen. In 1806 kwam op papier nationaal onderwijs. Dat was niet verplicht en werd door heel veel kinderen alleen gevolgd als er geen werk was. Formeel werden kerken vanaf het eind van de 18e eeuw gelijk, feitelijk bleef uitsluiting van mensen met een niet protestants geloof tot ver in de 20e eeuw doorgaan.

 

Opgaan en blinken

Leden van de Vincentiusvereniging Amsterdam namen voorzichtig, maar wel doortastend initiatieven voor armoedezorg en onderwijs. Anton Hafkenscheid zou op basis van zijn internationale contacten in de jaren dertig van de 19e eeuw een concept voor bewaarscholen schrijven, waarvan in Nederland gretig gebruik werd gemaakt. Hij richtte vervolgens de eerste bewaarschool in de Amsterdamse Jordaan op, daarna in de jaren veertig het St Bernardusgesticht voor verarmde ouderen en in 1848 de Vincentiusvereniging, waarvan hij tot zijn overlijden in 1877 de stedelijke voorzitter bleef.

 

De Vereniging kreeg meer dan vijftig afdelingen van waaruit verarmde Amsterdammers werden opgezocht. Stedelijk werkten functionele groepen voor de oprichting van meer dan twintig (jongens) scholen. De Vereniging ontwikkelde een sociale infrastructuur met spijskokerijen (gaarkeukens), bewaarscholen, lagere scholen, bibliotheken, tehuizen voor verwaarloosde of zwervende jeugd, buurthuizen, inzet voor jeugdreclassering, kinderuitzending, enzovoorts.

 

Neergaan en voortgaan

Rond 1957 bereikte de Vereniging in Amsterdam het hoogst aantal leden: 831, werkend vanuit 52 wijkafdelingen en 17 bedrijfsgroepen. Daarna stokte de aanwas. In de periode 1962 - 1967 nam het aantal afdelingen met dertig procent af en slonk het aantal leden tot 230.  Verhuizing en vergrijzing, de ontwikkeling van de verzorgingsstaat en ontkerkelijking hadden hun weerslag op de functie en het imago van de Vereniging. De Vereniging werd geassocieerd met paternalisme, niet met acties voor sociale rechtvaardigheid.

 

Wel meldden vrijwilligers zich aan voor het bieden van opvang en begeleiding. De Vereniging werd door velen gezien als een partner met ervaring, die steun kon geven aan nieuwe initiatieven op het terrein van jeugdwerk, informatiecentra voor jongeren, opvang van buitenlandse werknemers, vervoer voor bejaarden, steun voor HIV – slachtoffers, kringloopwinkels en opvang van dak- en thuislozen. 

 

In 1967 werd in het souterrain van het Vincentiushuis aan de Kloveniersburgwal 95 een trefpunt ingericht voor de zo genoemde Damslapers, die verstoken waren van onderdak. Daarmee werd invulling gegeven aan een voornemen bij het 100-jarig bestaan bijna 20 jaar daarvoor in 1948 om een “fonds” te creëren voor de opvang van dak- en thuislozen. Eind jaren negentig werd deze opvang als inloophuis “De Kloof” verzelfstandigd en ondergebracht bij De Regenboog Groep. Er worden nu, anno 2021 dagelijks rond 50 tot 80 dak- en thuislozen opgevangen met de mogelijkheid van douchen, wassen van kleding, begeleiding en bemiddeling.